geschiedenis

Zowel in de stad als in het binnenland is doofheid een veel voorkomend verschijnsel. Doofheid kan veroorzaakt worden door ziekte (bijv. rode hond, die gelukkig grotendeels is uitgeroeid), consanguïniteit (ouders met bloedverwantschap hetgeen in de kleine gemeenschappen van het binnenland nogal eens voorkomt), infectie als gevolg van het baden en zwemmen in de rivier (vooral in de droge tijd), erfelijke factoren of andere nog onbekende oorzaken.

Doven maakten lange tijd deel uit van een vergeten groep in Suriname, waaraan te weinig aandacht werd besteed. Van katholieke zijde zijn de zusters van Oudenbosch in de veertiger jaren van de vorige eeuw op kleine schaal begonnen met een onderwijsinstelling annex internaat voor slechthorenden, die in de loop der jaren uitgegroeid is tot het bekende Kennedy-Instituut. Het beheer hiervan is sinds 1965 toevertrouwd aan de Kennedy Stichting, waarna de zusters zich geleidelijk aan hebben teruggetrokken. Dit bracht natuurlijk beleidswijzigingen met zich mee.

Eén van die wijzigingen heeft een grote verandering in de samenstelling van het leerlingenbestand teweeg gebracht. Was het internaat onder leiding van de zusters alleen tijdens de schoolvakanties gesloten, later werd er een vijfdaagse werkweek ingevoerd, hetgeen als gevolg had, dat de kinderen uit het binnenland elk weekend naar huis moesten reizen of een opvang in de stad dienden te zoeken.

Omdat voor veel ouders de reiskosten te hoog waren en ook niet iedereen een opvang in de stad ter beschikking had, moesten deze kinderen noodgedwongen thuis in het binnenland blijven, waar voor hen geen zorg en geen aangepast onderwijs aanwezig was.

Deze situatie duurt nog voort, als gevolg waarvan er van de vijf internaatsunits nog maar twee voor de doven in gebruik zijn, de andere drie zijn verhuurd. De opvangcapaciteit van het instituut is hierdoor gedaald van 120 naar 48 kinderen. Dit wekt de indruk, dat doofheid een afnemend verschijnsel is in Suriname.